Hollands Kroon Actueel

Column Ben van Althuis: ‘De moraal van de roos’

Ik heb iets met rozen. Ik weet niet waarom, maar van alle bloemen trekken rozen mij het meest. Mooie, kleurige en zoetgeurende rozen. Ik heb er ook een aantal in de tuin. Trosrozen, struikrozen en een enkele stamroos. Vind ik trouwens wel sexy, zo’n stamroos! Welke man zou niet met de borst vooruitlopen als zijn geliefde z’n piemel liefkozend ‘m’n stamroosje’ noemt. Maar laat ik niet afdwalen. Rozen hebben iets bijzonders. Ik kan ontroerd raken als over een pasgetrouwd koppeltje een paar kilo rozenblaadjes wordt uitgestrooid. Of over de kist van een overledene, vlak voor de transformatie tot as of de afdaling naar het koele graf. Mooi toch?

Ook ben ik gek op de geur. Mijn vrouw niet. Die heeft minder met de geur van rozen, maar ik zou het liefst overal rozenwater neerzetten. Daar heb ik iets mee. Rozenwater! Alhoewel…, ik heb eens een leraar gehad die mij, omdat ik niet in een touw kon klimmen, lulletje rozenwater noemde. Ik heb wraak genomen. Bij het omkleden knipte ik de riemlusjes van zijn veel te wijde broek door, zodat hij tijdens de volgende les wél z’n riem omhield, maar niet zijn broek. Die zakte, tot algemeen vermaak, tot op zijn knieën. Heb ik nog lang last van gehad op die school. Uiteindelijk kreeg ik daar ook voor het eerst verkering. Met Roosje! Lang is Roosje niet bij me gebleven. Met bloedend hart moest ik haar afstaan aan Jan van der Tuin. Waarschijnlijk betere grond.

Roosje was weg, maar de roos hield ik. Op m’n hoofd. Als ik mijn schedel schudde ontstond er een sneeuwbui waarvan je ’s winters alleen kon dromen. M’n jas veranderde op de schouders regelmatig van design. Maar ik leed er niet onder. Ik sliep ik als een roos. Desondanks is de roos me altijd blijven boeien. Ook toen ik m’n vrouw ontmoette. Zij heet geen Roos en heeft verder weinig met rozen. Als ik haar eens rozen geef moet ik de doornen zelf verwijderen. Maar de bloem vindt ze mooi. Dus…, ik doe het en zing ondertussen met bebloede vingers: ‘Ik geef je een roosje m’n…’

Enkele maanden geleden werd ik verrast met een voor mij compleet nieuwe roos. De gordelroos. Hij openbaarde zich in mijn rechterarm met wat rode vlekjes en een brandende pijn. ‘Heb je vroeger waterpokken gehad?’ Vroeg mijn vrouw wijsneuzig. ‘Weet ik veel,’ zei ik. ‘Mijn ouders behoren niet meer tot de huidige wereldbevolking dus ik kan het ze moeilijk vragen.’ ‘Ben je dan in contact geweest met iemand die het heeft?’ dokterde ze verder. ‘Dacht je dat ik aan iedereen die ik tegenkom vraag of ze misschien de pokken hebben,’ antwoordde ik korzelig door de pijn. ‘Waterpokken!’ verbeterde ze. De herkomst van mijn ellende bleef onbekend.

Toen de dokter bevestigde dat het om gordelroos ging schreef hij mij pijnstillers voor. Deze bezorgden me een aantal zweverige dagen. Al na de eerste inname had ik het gevoel dat er naast deze, ook nog een andere wereld bestond. Ik ben geen drugsgebruiker maar ik kan me er nu wel iets bij voorstellen. Na een dag of zes waren de bijeffecten voorbij en begon de pijn dragelijker te worden. Alleen was de arm volledig uitgeschakeld. Ik kon nog geen kop thee optillen. En toen was daar mijn buurman! Mijn hulp in nood die zonder vragen een aantal klussen deed die voor mij ondoenlijk waren. Kijk, dat is voor mij de moraal van de roos. Ze is soms verraderlijk. Maar zorgt ook voor heerlijk hallucinogene pillen en prima buren die onder het genot van een biertje de pijn snel doen vergeten.

Ben van Althuis

Reacties

HKA-ARCHIEF

Column Nadine Swagerman – o, hé

hkredactie

Column Ben van Althuis – Frutsels

hkredactie

Column Ben van Althuis – Logé voor één nacht

hkredactie